Mam, bestaat Sinterklaas wel echt?
En daar was het dan. Het moment dat ik hoopte nog lang voor me uit te schuiven. “Mam, kinderen in mijn klas zeggen dat Sinterklaas niet bestaat.” Het was mijn dochter van zes. Ik bevroor even. Wat moest ik zeggen? Moest ik iets zeggen? Ik was hier nog niet klaar voor!
Ik had gedacht dat het toch wel op zijn minst nog twee jaar mocht duren, voordat ik het gesprek zou voeren. Dit was het resultaat van de horizontale klas waarin ze zat. Groep 3, 4 en 5 bij elkaar. Als kersverse groepdrieĕr werd ze geconfronteerd met de gedachtenspinsels van de ‘pubers van de middenbouw’. Sinterklaas die niet bestaat! Hoe durven ze!, dacht ik.
“Ehm, wat denk jij dan?”, probeerde ik voorzichtig. “Nou ja, ik heb hem toch gezien” antwoordde mijn dochter. En daarmee was het probleem opgelost. Zo simpel was het. Ze had hem gezien, dus dan moest hij toch wel bestaan? Dat heb ik maar beaamd.
Ik was vroeger bezeten van Sinterklaas. Ik vond het feest het hoogtepunt van het jaar. Ik herinner me alsof het gisteren was, hoe het voelde als je op pakjesavond bij elkaar zat, te wachten op het bonken op de deur. De spanning, de extase als de zakken vol cadeaus in de kamer stonden, en de pepernoten! Ik heb zulke intens gelukkige herinneren aan dit feest, dat ik besloten heb met alle macht dit gevoel over te brengen op mijn kinderen. Hele toneelstukken worden er gespeeld op 5 december, alles wordt uit de kast getrokken om hen te doen laten geloven dat er echt iemand op het dak loopt, door de schoorsteen komt en helemaal met de boot uit Spanje komt.
Niets van dat hebben we ooit gezien. Met een beetje geluk zien we een hand om het hoekje, een wuivende man op een boot en soms mogen we even op schoot, bij een man die er uitziet zoals Sinterklaas er uit hoort te zien. Het is genoeg om te geloven in het hele sprookje, tot het brein meer verwacht dan alleen iets zien. Er komen vragen. Logica begint een rol te spelen. De antwoorden kloppen niet meer, en de ouders geven er uiteindelijk aan over, beseffend dat het niet langer meer recht te breien is.
Feit en fictie
Mijn vader gaf laatst een lezing over zijn boek Beste Reizigers. Het ging over feit en fictie: waar het één ophoudt en het ander begint te bestaan. Hij was begonnen met een reisverhaal: waargebeurd, gebaseerd op zijn eigen ervaringen. De drukker vond het niets, de fantasie ontbrak. Hij moest verhalen verzinnen, en zo begon het boek steeds meer richting fictie te bewegen.
Zo zijn er tal van boeken geschreven over dingen die nooit gebeurd zijn. Soms met de bedoeling mensen te misleiden, soms omdat de auteur het gezien dacht te hebben. Soms omdat niemand beter weet. Verhalen die niet helemaal waar kunnen zijn zijn vaak zelfs populairder dan verhalen die kloppen, concludeerde hij. Mensen willen worden meegenomen in een fantasie, en of het waar is, dat is van ondergeschikt belang.
De vraag ‘of het waar is’ kwam echter niet heel veel later weer op mijn pad. Dit keer was het mijn jongste dochter, die nog geen vier is. Ik had hem kunnen zien aankomen. Al een paar weken was ze bezig met de existentiële vraag wie er nou eigenlijk echt bestonden. Monsters, heksen en draken hadden we al afgeschreven. Ze was er bang voor, dus het was zaak haar duidelijk te maken dat ze niet bestonden. Maar als deze niet bestonden, bestaat Doornroosje dan eigenlijk wel? En Elsa? En unicorns? En zo ging het al een aantal dagen. En ja hoor, daar kwam de vraag, tijdens het Sinterklaasjournaal vandaag. “Bestaat dit echt?”
Ik had me, na de vraag van de oudste dochter, voorgenomen om eerlijk te zijn als zij me op de man af zou vragen of het klopt dat Sinterklaas niet bestond. Ik kon haar immers niet in een klas vol pubers laten verdedigen dat er een man met paard door onze schoorsteen kwam. Maar na alle Disney-prinsessen te hebben afgeschoten, gunde ik ze allebei toch de Goedheiligman. “Ja hoor” mompelde ik. “Jullie zien hem dit weekend.”


Prachtig!
Mooi verhaal.
Prachtig verhaal. Er zijn meer verhalen met fantasievoorstellingen dat verhalen die werkelijkheid vertellen. Fantasie behoort tot de werkelijkheid.